
Nieuws
Reductie methaanemissie op Koeien & Kansen-bedrijven
De deelnemers van het project Koeien & Kansen zetten zich de afgelopen jaren actief in om de methaanemissie uit pensfermentatie te verminderen. Dit blijkt in de praktijk een uitdagende opgave, aangezien veel maatregelen gepaard gaan met extra kosten. Zonder financiële compensatie is het voor veehouders lastig om deze aanpassingen door te voeren. Daarnaast spelen er principiële bezwaren bij zowel veehouders als de verwerkende industrie.
Bij de start van het project hadden de Koeien & Kansen-bedrijven een 10-15% lagere methaanemissie dan het gemiddelde Nederlandse melkveebedrijf. De doelstelling van het project is echter om te voldoen aan de afspraken in de Nationale Methaanstrategie, wat inhoudt dat er een reductie van 30% ten opzichte van 2020 wordt gerealiseerd. Het project richt zich op de kansen en belemmeringen die melkveehouders ervaren bij het streven naar deze methaanreductie van 30%.
Uit de ervaringen van de afgelopen vier jaren blijkt dat het moeilijk is om de beoogde doelen van de Nationale Methaanstrategie alleen via het voerspoor te behalen. Ondanks de serieuze inspanningen om maatregelen door te voeren, was de gemiddelde extra reductie bij de Koeien & Kansen-bedrijven over de jaren heen ongeveer 5%. Deze resultaten zijn bepaald met de Kringloopwijzers van de bedrijven, waarmee het verschil ten opzichte van de gestelde doelen nog 10 tot 15% bedraagt. Via een enquête hebben we geprobeerd meer inzicht te krijgen in de oorzaken van de resultaten. Er wordt een beeld geschetst op basis van de resultaten van 15 Koeien & Kansen-bedrijven.
Een moeilijke opdracht
Veehouders ervaren de reductie van methaanemissie als een moeilijke opgave. Figuur 1 toont aan of de doelstellingen voor 2024 zijn gehaald.
Tachtig procent van de veehouders gaf aan dat zij geprobeerd hebben zoveel mogelijk maatregelen toe te passen, maar om verschillende redenen was dat niet altijd gelukt. Bijvoorbeeld door slecht weer konden ze niet op het juist moment oogsten. (Zie ook Figuur 1)

Om de gerealiseerde reductie ‘meetbaar’ te maken en veehouders sturing te bieden, zijn twee kengetallen geïntroduceerd:
- Methaanemissie (g methaan/kg meetmelk) gericht op vee- en voermanagement
- Methaanemissiefactor (EF, g methaan/kg droge stof) gericht op het rantsoen
Voor het jaar 2024 zijn deze kengetallen vastgesteld op respectievelijk 15,5 en 17,5 (met de huidige cijfers wordt de nationale doelstelling van 30% reductie ten opzichte van 2020 nog niet gehaald)
Het blijkt dat de doelstelling van 15,5 g methaan/kg meetmelk door veel bedrijven wordt gehaald, maar dat de EF van 17,5 g methaan/per kg DS niet wordt gehaald. 75% van de deelnemers vindt de doelstelling van EF van 17,5 in het rantsoen te ambitieus. Ze geven aan dat er binnen de huidige gangbare voedermiddelen maar weinig (goede) voeders zijn die onder een EF van 18 uitkomen.
De berekeningen zijn gebaseerd op een EF voor vers gras van 19,2 en voor zomerstalvoedering van 23,0. Deze emissiefactoren zijn inmiddels herzien naar resp. 17,7 en 21,0. Wanneer met de nieuwe getallen wordt gerekend zal de behaalde methaanreductie op de meeste bedrijven met 1%-4% toenemen. Reductie via het voerspoor blijkt lastig.
De redenen waarom de doelstelling niet zijn gehaald, worden weergegeven in Figuur 3.
Welke maatregelen zijn er genomen?
De maatregelen voor lagere methaanemissie uit pensfermentatie kunnen worden verdeeld in twee categorieën:
- Bedrijfsvoering
- Voeding van de dieren
Figuur 2 geeft een overzicht van de genomen maatregelen.
Hieruit blijkt dat bedrijven zich in eerste instantie richten op managementmaatregelen, zoals het verminderen van het aantal jongvee dat gehouden wordt en het verhogen van (meet)melkproductie. Deze aspecten hebben invloed op de methaanemissie per kg meetmelk.
Binnen het voerspoor wordt vaak gekozen voor ‘meer zetmeel in de snijmais’. Dit verhoogt het zetmeelgehalte waardoor de EF van snijmais gaat dalen. Van de K&K deelnemers gaf 58% aan de snijmais in een later stadium te hebben geoogst in vergelijking met voorgaande jaren. Dit leidt doorgaans tot een hoger zetmeelgehalte. Ook bij aankoop van snijmais wordt meer op het zetmeelgehalte gelet. Ook is op 4 bedrijven gekeken naar mogelijkheden om de EF van krachtvoer te verlagen.
Een andere effectieve maatregel binnen het voerspoor is vet toevoegen. Vet heeft namelijk een negatieve EF. Toch wordt deze maatregel zeer weinig toegepast.
Als redenen worden aangegeven:
- Het is te duur
- Koeien reageren er niet goed op
- Vet verhoogt de carbon footprint en daar word jij op uitbetaald (voor de samenstelling van (voeder)vet worden veelal palmpitten gebruikt).
- Mijn melkverwerker wil dat niet.

Waarom het niet is gelukt?
Zoals blijkt uit figuur 1 worden een aantal maatregelen niet toegepast of hebben niet het gewenste resultaat. In de enquête is gevraagd, wat de reden is waarom men maatregelen niet of niet meer toepast. In figuur 3 vind je een overzicht.

Uit Figuur 3 blijkt dat veehouders het risico dat koeien minder produceren of ziek worden door verandering van het rantsoen te groot vinden. Ze zijn terughoudend in het nemen van voermaatregelen, omdat zieke dieren leiden tot extra zorg, arbeid en kosten. Een lagere melkproductie leidt tot inkomstenderving. Zonder compensatie vinden de veehouders het lastig om risicovolle maatregelen toch te nemen.
Verder wordt veel genoemd ‘De maatregelen leiden tot extra kosten die ik niet kan terugverdienen.’ Additieven en duurder voer zijn niet eenvoudig terug te verdienen.
Bepaalde maatregelen leiden tot een slechtere prestatie op een ander duurzaamheidsdoel. Hierbij denkt men met name aan de toevoeging van (palm)vet in het rantsoen. Dit leidt tot verhoging van de carbon footprint via aangevoerde grondstoffen.
Opvallend is dat eventuele extra arbeid niet als belemmerend wordt ervaren.
Aanpassing krachtvoer
Op een bedrijf bestaat een rantsoen voor een aanzienlijk deel uit krachtvoer. Er zijn een aantal voerleveranciers die een krachtvoer aanbieden met een lagere EF waarde. In de enquete is dan ook gevraagd is of men is gewisseld van krachtvoer. Dat hebben 5 veehouders gedaan en 10 niet. De extra voerkosten weerhield veehouders van omschakeling. Uit de enquête bleek dat de kostprijs van de brok zal met 0,5 tot 2 cent per kg omhoog gaat, afhankelijk van de samenstelling. Verder gaven 5 veehouders aan het krachtvoer niet te hebben gewisseld, omdat dit gaat ten koste gaat van de voerefficientie. Tot slot werd aangegeven dat krachtvoer gezien wordt als “sturing” voor energie en/of eiwit. Veehouders willen liever geen extra criterium er bij voor krachtvoer (methaan), zo werd aangegeven. De effecten hangen natuurlijk af van de hoeveelheid krachtvoer dat wordt verstrekt.

Additieven
Uit onderzoek blijkt dat gebruik van additieven in het rantsoen kan leiden tot een reductie van de methaanemissie van 25-40 %. In de enquête is gevraagd hoe veehouders denken over het gebruik van additieven. Uit Figuur 5 blijkt dat men een wat afwachtende houding inneemt en dat het al dan niet gebruiken van additieven sterk zal afhangen van de kosten van dergelijke middelen.

Tenslotte
Het reduceren van de methaanemissie uit pensfermentatie blijft een lastig vraagstuk. Het is vooralsnog niet realistisch te veronderstellen dat via het voerspoor op korte termijn de landelijke doelstelling van 30% reductie van de methaanemissie ten opzichte van 2020 wordt gehaald. Een eerdere studie1 liet zien dat een reductie van 25% in principe mogelijk is via goed management, gebruik van additieven en slimme aankoop van voedermiddelen. Daarbij is focus op de ruwvoerproductie belangrijk, ook al zijn de (weers)omstandigheden bepalend voor het resultaat. Verder biedt fokkerij waarschijnlijk nog een mogelijkheid tot methaanreductie.
Veehouders geven het ontbreken van een verdienmodel als belangrijkste reden voor het niet halen van de reductiedoelstelling. Daarom zien zij het liefst dat methaanreductie wordt meegenomen in andere doelen, bijvoorbeeld in de totale broeikasgasemissie per kg meetmelk. Dan zijn er meer sturingsmogeljikheden. Maar ze komen ook met andere suggesties zoals het introduceren van nieuwe kengetallen zoals de broeikasgasemissies (incl. methaan) per hectare of een kengetal waarin ook de koolstofvastlegging van het bedrijf wordt meegenomen.