Publicaties
Effect van een hogere biestgift op de incidentie van gezondheidsproblemen tijdens de opfok van geitenlammeren
Marcato, Francesca; Ruijter, Dionne; Brinkman, Anne; van Hattum, Theo; Verkaik, Jan
Samenvatting
Het belangrijkste doel van dit experiment was om de effecten van een hogere biestinname van geitenlammeren in de eerste 24 uur na de geboorte op gezondheidsparameters in de eerste 12 weken te testen. De hypothese was dat een hogere biestinname (22.5% van het lichaamsgewicht) resulteert in minder primaire klinische verschijnselen van relevante infectieziekten bij lammeren in vergelijking met een normale biestinname (15% van het lichaamsgewicht). In totaal zijn voor het onderzoek 5 melkgeiten bedrijven geselecteerd op vrijwilliger basis, met twee identieke stalcompartimenten voor de lammeren. Het onderzoek was uitgevoerd onder bedrijfsomstandigheden en op elk bedrijf waren twee groepen aanwezig: 1) de controlegroep kreeg een biest hoeveelheid gevoerd van 15% van het lichaamsgewicht, en 2) de proefgroep kreeg een biest hoeveelheid gevoerd van 22.5% van het lichaamsgewicht. Het streven was om de eerste voeding zo snel mogelijk na geboorte te geven (met een maximum van 3 uur na geboorte). De tweede, derde en eventueel vierde voeding dienden uiterlijk binnen 24 uur gevoerd te worden (het streven was zo snel mogelijk). Op de eerste 3 bedrijven betrof het de aflammerperiode in mei en juni en op de laatste 2 bedrijven betrof het de aflammerperiode in september van 2023. Op elk bedrijf werden de geitenlammeren klinisch gekeken vanaf de geboorte tot de leeftijd van 12 weken (ongeveer 4 weken na het spenen). De controle en proefgroep werden gescheiden van elkaar gehuisvest in twee vergelijkbare afdelingen met dezelfde klimaat omstandigheden. Gedurende de eerste 12 levensweken werden de individuele klinische metingen (luchtwegontsteking, gewrichtsontsteking, oor-/oormerkontsteking en diarree) en wegingen tweewekelijks door de onderzoekers uitgevoerd op alle lammeren in de groepen op de bedrijven. Gegevens met betrekking tot de geboorte van de lammeren (zoals pariteit van de moeder, geboortegewicht en worpgrootte), biest verstrekking en stalklimaat (ammoniak, CO2, temperatuur en vochtigheid) werden ook geregistreerd. De hogere biestgift in deze studie heeft niet geresulteerd in minder primaire klinische verschijnselen bij lammeren in de eerste 12 weken na de geboorte met de uitzondering van een bedrijf. Een hogere biestgift kan potentieel nog wel situaties opvangen als sprake is van een (tijdelijk) benedengemiddelde situatie door bijvoorbeeld een verhoogde infectiedruk of een (onbewuste) managementfout. De resultaten toonder een hoger aantal lammeren met neusuitvloeiing in de proefgroep in vergelijking met de controlegroep. De lammeren in de groep met de hoogste biestgift hadden vanaf 6 weken een significant hogere groei. Aanvullend onderzoek is nodig voor de bepaling van gezondheids- en productiviteitseffecten van extra biest op langere termijn. Het zou kunnen zijn dat de gebruikelijke biestgift in het algemeen voldoende/optimaal was voor de lammeren.